De schoonheid van de allereerste
Caroline van de Burgt is ambassadeur voor de biodiversiteit en schrijft maandelijks over biodiversiteit en wat ze allemaal tegenkomt in haar tuin.
In deze weken geniet ik altijd van alle ‘eerstelingen’. De eerste hommelkoninginnen in de kersrozen, de eerste honingbijen op de witte winterforsythia, de citroenvlinders en de dagpauwogen op de paarse krokussen. Op zonnige uren zijn dat allemaal kleine fotomomentjes. Al deze dieren hebben goed verstopt de winter overleefd en zijn nu op zoek naar eten. De hommels om hun eerste larven eten te geven, de vlinders voor zichzelf, zodat ze daarna op partnerjacht kunnen. Want ook dieren voelen lentekriebels!
De merel begint weer voorzichtig te zingen, dichtbij de plek die hij als nestplaats heeft gekozen, klaar om zijn territorium te begrenzen. En ook de eerste bloeiende paardenbloemen en madeliefjes bloeien al in het gras. Die mogen bij mij, sinds ik weet hoeveel dieren daarmee geholpen zijn, rustig blijven staan waar ze staan. Maar zeker aan die paardenbloem heb ik wel even moeten wennen, want ook ik heb geleerd dat dat nou écht een onkruid is dat niet in een tuin hoort te staan. Sinds ik weet dat ze vanzelf verdwijnen als de grond waar ze in staan los en gezond wordt en veel insecten behoefte hebben aan hun nectar, laat ik ze op de meeste plekken gewoon staan. De bloem en het blad zijn ook nog eens lekker in de sla.
Nu is het nog wachten op het geluid van de eerste tjiftjaf en de eerste boerenzwaluw hoog in de lucht. Het spreekwoord zegt dan wel dat het dan nog geen zomer is, maar we weten allemaal: écht lang kan het niet meer duren!